“Zet die Nederlandse bril af” [De Kanttekening]

Iets bijdragen aan de wereld. Met dit idee gaan veel mensen als vrijwilliger naar het buitenland om mee te helpen aan een betere wereld. Met de beste bedoelingen vertrekken ze het liefst naar een arm land, want daar lijkt de hulp het meest nodig. Maar omdat deze landen vaak nogal ver weg liggen en de cultuur zo anders is, reizen veel vrijwilligers af via een stichting die de meeste zaakjes voor hen regelt. Helaas vragen veel organisaties grote bedragen voor het gratis werk dat moet worden verricht. Soms zijn de armoedige omstandigheden in scène gezet en blijkt dat er eigenlijk een hele winstgevende industrie achter dit goedbedoelde werk zit

Voluntourism wordt dit in het Engels genoemd. Het is een vorm waarin bepaalde organisaties een winstgevend model hanteren om vrijwilligerswerk aan welvarende altruïstische mensen te verkopen. Deze vorm is steeds meer onder druk komen te staan sinds Save the Children in 2005 ontdekte dat 92 procent van de kinderen in weeshuizen in Sri Lanka nog een ouder hadden en UNICEF in Liberia rapporteerde dat 98 procent van de weeskinderen eigenlijk geen wees is. Steeds meer komen misstanden in weeshuizen aan het licht, zo laatst ook weer in Cambodia. De meeste hulporganisaties hebben de weeshuizen uit hun aanbod geschrapt, maar dat betekent niet dat er bij andere vrijwilligersactiviteiten alles open en eerlijk verloopt. 

De vraag is niet alleen of je als vrijwilliger wel verschil kan maken, of dat er er wordt meegeholpen aan een winstgevende industrie. Het is ook een moreel vraagstuk, dat bekend staat als het White Men Saviour Syndrome. Waarom moeten zo nodig westerse mensen naar plekken in Afrika of Azië om daar te helpen? Dit vroeg Marjan (31) ondernemer uit Utrecht zichzelf af toen ze in 2012 via de stichting Be More zes weken naar Malawi was geweest om te helpen. Ze was destijds middenin de twintig en op zoek naar avontuur en wilde ook mensen helpen. Over de stichting heeft Marjan niets te klagen. “Alles was ontzettend goed geregeld, maar ik kwam terug en begon mezelf af te vragen: Waarom wilde ik nou per se naar Afrika? Terwijl er hier in mijn eigen omgeving ook zoveel te doen is. Wat maakt het dat mensen anders zijn in Afrika? We zijn allemaal wereldburgers.”

Daisy (34) reisjournaliste en filmmaakster uit Utrecht kijkt wel sceptisch terug naar de internationale organisatie waarmee zij 2 maanden les ging geven in India. Ze betaalde ongeveer 2000 euro, daar zat accommodatie, lokaal vervoer (geen vluchten) eten en drinken en activiteiten zoals een tripje naar de Taj Mahal bij inbegrepen. Ze kwam terecht in een grote villa in de bergen waar ongeveer 30 jongeren uit alle delen van de wereld zaten. “Ik wilde graag iets doen voor arme kinderen. Er waren veel projecten daar in weeshuizen, maar ook computertrainingen en gehandicaptenopvang etc. Die weeshuizen zijn nu trouwens uit het pakket geschrapt. Ik gaf les op een school. Ik liep al snel tegen problemen aan. Er was geen leerplan. Het was echt van: succes ermee, ga wat leuks doen. Er zaten 40 kinderen in de klas die niet wilden luisterden. Nu snap ik dat, omdat ze elke zes weken een ander gezicht zien. Ik betrok het heel erg op mezelf. Er was wel een lokale docent, maar die zat de hele dag buiten en sprak geen Engels. Dus we konden niet uitleggen wat er aan de hand was. Er waren wel docenten die het werk overnamen als er even geen vrijwilligers waren. We deden eigenlijk gewoon hun werk. Er wonen bijna 1,3 miljard mensen in India. Het is echt niet nodig, dat mensen uit Europa daar les geven. Daar zit toch best wel White Men Saviour Syndrome in. Ik denk dat heel veel mensen zich niet realiseren dat er echt een industrie is die hier geld verdient. Dat kleine dat om hen heen gebeurt, is eigenlijk deel van een veel groter geheel.” 

Sinds haar ervaring is Daisy dieper in de wereld van het vrijwilligerswerk gedoken en tot bepaalde conclusies gekomen. “Het is echt niet nodig om als Nederlanders in Malawi een schooltje te bouwen. Daar zijn ook genoeg bouwvakkers die dat kunnen doen, maar nu zonder werk zitten.Ook vind ik dat als je niet gekwalificeerd ben, je niet met kwetsbare doelgroepen mag werken.” In het voorjaar verschijnt haar jeugdroman, gebaseerd op haar eigen ervaring, waarmee ze jongeren bewust wil maken van de schaduwkant van vrijwilligerswerk.

Anika Redhed, (46) schrijfster uit Utrecht is sinds 2001 tot 2010 zes keer naar het buitenland geweest als vrijwilliger. De eerste twee keer via een kerkorganisatie naar de VS. Daarna via een individu in Bolivia en Roemenië, maar dat liep op niets uit. De keer daarna via een bemiddelingsorganisatie in China. Dat was de eerste keer dat ze een organisatie betaalde om vrijwilligerswerk voor haar te vinden. “Ik was er eigenlijk op tegen om een organisatie te betalen, maar ik dacht dat ik op eigen houtje niets zou vinden. Ik betaalde 500 of 600 euro. De organisatie vond een school waar ik kon lesgeven, alleen konden ze geen werkvisum regelen. Ze gaven het geld terug en ik kreeg de contactgegevens van de school zodat ik zelf iets kon regelen. Toen bleek het dat die school mij gewoon wilde betalen. De directeur was rijk en ook de leerlingen waren van goede komaf. Het is natuurlijk raar dat een organisatie zoiets verkoopt als vrijwilligerswerk.” Het gevoel dat ze iemands baan inpikte had Anika niet. “De Chinese docenten die Engels gaven, daar kon ik niet in het Engels mee communiceren. Ze wilden daarom echt leraren uit het buitenland. Maar het werd dus verkocht als vrijwilligerswerk, terwijl dat het niet is.”

Maar op de Filipijnen drong het pas echt tot haar door, dat ze nauwelijks verschil zou kunnen maken. Anika: “De kleine stichting met wie ik ging, stuurde alleen vrijwilligers naar de kliniek als de lokale bevolking daarom vroeg. Toen ik daar was merkte ik: wij denken anders. Wij kijken naar de derde wereld met onze Nederlandse bril op. Dat kan heel averechts werken. Nederlanders zien bijvoorbeeld dat de kinderen in de kliniek op krakkemikkige bedden slapen en sturen nieuwe bedden of groepen timmermannen die de bedden maken. Maar in de sloppenwijken eromheen hebben ze geen eens bedden. Een nieuw bed, wat schieten ze daarmee op? Ik heb meegemaakt dat een oma met haar kleinkinderen op tafel sliep. Ik heb ook gezien dat er constant nieuwe spullen, zoals nieuwe kleertjes uit vooral Canada kwamen. De kinderen gaan er een keer mee op de foto en dragen daarna weer hun oude kloffie. Of ouders met kinderen die door hulporganisaties elke week rijst, tandpasta etc. kregen en als de kinderen dan oud genoeg waren, ze weer nieuwe kinderen namen om weer in aanmerking te komen voor gratis spullen. Al weet je natuurlijk nooit echt de reden.”

Anika’s motivatie om als vrijwilliger in het buitenland te werken was de drang om te reizen, een andere cultuur te ontdekken, iets nuttigs te doen en iets bij te dragen. “Het begon heel idealistisch in 2001, maar nu besef ik dat je niets bereikt. Als je in een half jaar 1 mens kan bereiken, dan heb je het echt goed gedaan.” 

Vincent Lageweg (23) student geschiedenis en filosofie uit Amsterdam gaat dit jaar voor de derde keer naar Afrika om mee te helpen met een bouwproject via de Christelijke organisatie World Servants. Volgens hem ligt de kracht van de organisatie dat ze pas wat doen als de lokale bevolking daar zelf om vraagt. Dat argument wordt door veel organisaties gebruikt. Dan pas gaan de vrijwilligers aan de slag.

Vincent moest 3000 euro betalen. Vrijwilligers krijgen ruim een jaar de tijd om dat geld zelf op te halen in hun thuisomgeving in ruil voor klusjes. Er moest door 17 vrijwilligers 50.000 euro worden opgehaald. Vincents groep overtrof het bedrag met 68.000 duizend. Hier bouwden ze in drie weken 2 klaslokalen en 2 latrines van in Malawi. Vincent: “Er wordt tijdens het bouwen samengewerkt met de lokale bevolking en zoveel mogelijk gewerkt via lokale wijze en materialen, zodat de lokale bevolking na onze hulp het werk zelf af kan maken. Er worden daarna foto’s gestuurd als het gebouw af is en in gebruik. Ook kan je als vrijwilliger de rekeningen bij de organisatie opvragen om te zien waar het geld aan is uitgegeven.”

Vincent snapt die skeptische houding wel. Vincent: “Je kan je afvragen waarom je nou 30 Nederlanders daarheen moet sturen. Waarom sturen ze geen zak geld of een paar Volendammers die dat in no-time in elkaar zetten? Maar de slogan is “bouwen aan verandering”. Niet alleen bij de mensen in Afrika, maar ze willen ook dat er bij de mensen in Nederland iets veranderd. Bijvoorbeeld dankbaarheid creëren, laten zien dat we het in Nederland heel goed hebben. Het is een culturele uitwisseling. Een van de opvallendste dingen vond ik wel, dat mensen daar wel wel enorm gelukkig waren. Ik vond het heel interessant om te zien dat geluk niet alleen in welvaart zit.”

Zelfontwikkeling

Veel vrijwilligers doen het werk naast altruïstische redenen ook voor zelfontwikkeling. Vincent: “Het klinkt misschien een beetje egoïstisch, maar ik zou het niet doen als ik er zelf niet zoveel uit zou halen. Ik vond het een fantastische ervaring. Het heeft mijn blik verruimd, bijvoorbeeld over de vluchtelingencrisis. Ik heb toch 6 weken gezien hoe het daar aan toe gaat. Ik snap wel dat mensen daar weg willen uit een uitzichtloze situatie. Maar het  paradoxale eraan is wel of mensen hier wel beter af zijn dan daar. In Malawi vroegen ze ook: ‘kunnen ze ons niet meenemen naar Europa of mijn dochter trouwen?’ Ze zien Europa als een soort van walhalla. Ik zeg dan tegen mensen: Onze samenleving is zo ingericht, dat ze niet zomaar mensen toelaten. Jullie toekomst ligt hier. Daarom denk ik dat vrijwilligerswerk wel effect kan hebben.

Anika heeft het vrijwilligerswerk ook persoonlijk veel gebracht, maar zij is ervan overtuigd dat je overal dingen kan leren. Dat hoeft niet per se in de vorm van vrijwilligerswerk in een arm land. Anika: “Je moet echt helemaal in die cultuur zitten om echt iets te bereiken. Het is schrijnend, het is echt het White Men Saviour Syndrome. Ik heb ook zoveel donaties gezien waar niets mee gedaan werd. Dan kregen ze een water zandspeelplaats, geweldig natuurlijk, maar de begeleiders moesten het schoonhouden. Die hebben daar geen zin in, omdat ze al 12 uur werken elke dag en soms 24 uur als er een collega ziek is. Dus gaat de speelplaats bij voorbaat op slot. De cultuur is zo anders. Het werkt gewoon niet. Zoveel organisaties zien armoede, maar door geld en spullen te geven, gaan mensen bedelen in plaats van in zichzelf investeren. En al die vrijwilligers die daar komen doen inzamelingsacties en halen dan een paar duizend euro op. Ik en twee andere vrijwilligers hadden er een dubbel gevoel bij. Er werd niet echt gebruikt gemaakt van onze expertise, wij hadden het gevoel dat ze wilden dat we geld gingen ophalen.”

Daisy draagt een paar oplossingen aan voor degene die vrijwilligerswerk gaan doen, namelijk dat je het om de juiste redenen en bij een juiste organisatie doet. Daisy: Als je betaalt voor vrijwilligerswerk kan je er van uitgaan dat organisatie eraan verdient. Het is tevens belangrijk dat je de financiën van de organisatie in kan zien. Hebben ze iets te verbergen? Je moet jezelf kritische vragen stellen. Ga je werk doen, wat normaal gesproken betaald werk is, dan moet je afvragen waarom doet de lokale bevolking het zelf niet? Waarom ben jij het aan het doen? Ben jij het niet gratis aan het uitvoeren? Dat is natuurlijk gek, want er is vaak genoeg werkloosheid. En een belangrijke vraag: Wat ik nu gaat doen, zou ik dat in Nederland mogen of kunnen doen? Als het antwoord ‘nee’ is moet je het niet doen. Het vrijwilligerswerk gebeurd allemaal met de beste bedoelingen. Maar zonder dat je het weet houd je een industrie in stand die juist schadelijk is voor de mensen die je wilt helpen. De laatste vraag is ook erg interessant: zou je het werk doen als je geen camera mee mocht nemen?

Volgens Anika moet je jezelf afvragen of het vrijwilligerswerk past bij je vaardigheden. “Ik heb veel lagere school werk gedaan, waar je niet per se speciale vaardigheden voor moet hebben. Maar het blijft een grijs gebied, als je afvraagt of een lokaal iemand ook dat werk had kunnen doen. Wat ik het grootste gevaar vind, is dat wij de cultuur niet snappen.” 

Kader: Het White Men Saviour Syndrome wordt gebruikt voor “witte” mensen uit het westen die naar ontwikkelingslanden gaan in meestal Afrika om hulp te bieden vanuit hun normen en waarden, maar waarbij de hulp vooral henzelf ten goede komt. 

Foto: Vincent Lageweg

 

Dit artikel verscheen in De Kanttekening